HET EINDE VAN WOKE

 

[HP/De Tijd, december 2023
PDF:HP De Tijd december 2023 Woke]

 

‘Een graat in de keel’, zo noemde Matthijs van Nieuwkerk in zijn spraakmakende NRC-interview een uitspraak die hij zich tegenover de verslaggever had laten ontvallen. De beweging die hem van het scherm verdreef, had hij gezegd, kwam neer op ‘een revolutie die mogelijk doorschiet’. Maar vlak voor de deadline belde hij op: achteraf wilde hij die uitspraak absoluut niet voor zijn rekening nemen, want ‘we zitten in een verandering van tijden. The times they are a-changing zong Dylan al. Dat is nu ook zo. En dat gaat altijd met horten en stoten. Maar een revolutie die doorschiet? Nee, dat vind ik het niet.’

Op de dag dat het interview werd gepubliceerd, 2 september, liet ook Omroep Max-baas Jan Slagter zich over het onderwerp uit in de Volkskrant. Slagter is een van de weinigen die de moed hebben om het publiekelijk op te nemen voor Van Nieuwkerk, Tom Egbers en anderen die vanwege vage en onbewezen aanklachten zijn ‘gecanceld’. ‘Ik vind dat we moeten waken voor trial by media,’ zei Slagter. Hij trof de betrokkenen ‘donker, somber, in de steek gelaten’ aan. Hij kenschetste de woke-beweging als ‘een kleine groep die z’n mening wil opleggen aan de zwijgende meerderheid’. En vervolgde: ‘Ik wil er niet een groot punt van maken maar ik ben bang dat we doorslaan.’

De tegenstelling tussen de uitspraken van Van Nieuwkerk en Slagter legt een belangrijke vraag bloot, die in het debat over de opkomst van de woke-cultuur nog weinig wordt gesteld. Is de ontwikkeling naar een steeds ‘preciezer’ gedachtegoed waar het gaat om ‘grensoverschrijdend gedrag’ en fout geachte standpunten op gebieden als seksualiteit, gender en etniciteit een onvermijdelijk voortgaande trend?

Vrij algemeen wordt dat als vanzelfsprekend aangenomen. Ook door tegenstanders, zoals de Britse politiek filosoof John Gray, die in de NRC vaststelde: ‘De woke beweging is geen storm die wel weer overwaait. De uitbarsting waarvan wij getuige zijn, zal misschien in de herinnering blijven voortleven als een bepalend moment in de ondergang van het liberale Westen. Het is misschien tijd om te bedenken hoe we de nog resterende enclaves van vrij denken en vrije meningsuiting kunnen versterken, zodat ze een kans op overleven hebben in de lege en meedogenloze wereld die op komst is.’

Ook volgens NRC-journalist Bas Heijne is de ontwikkeling niet te stuiten, maar voor hem is dat is juist een bron van vreugde, want woke is niets anders dan de voortzetting van het emancipatieproces van achtergestelde groepen. Alleen zijn de doeleinden nu niet meer concreet (stemrecht, veertigurige werkweek), maar meer gericht op persoonlijke aandacht, erkenning en respect. Dat betekent dat we wezenlijk anders moeten gaan kijken naar onszelf, naar anderen en naar de samenleving, schrijft hij. ‘Geen wonder dat het verzet zo heftig is, zo boos en verongelijkt ook.’

Met die kenschets geeft Heijne impliciet ook een waardeoordeel – want emancipatie is goed – en een toekomstvoorspelling – want emancipatie is onomkeerbaar. Maar klopt het ook? Laten we eerst toch even kijken naar de vraag die Jan Slagter stelde: hebben we niet te maken met een extreme overreactie die tijdelijk is en zal overdrijven?

* * *

Een belangrijk slagveld van de woke-woelingen is de universitaire wereld. In 2020 ondertekende bijvoorbeeld het merendeel van de politicologie-docenten aan de Universiteit van Amsterdam een rondzendbrief waarin zij zich schuldig verklaarden aan het in stand houden van een koloniaal en racistisch onderwijsprogramma en het niet op een juiste manier toespitsen van het onderzoek op kwesties van ras en intersectionaliteit. ‘Ons falen blijkt uit de ideeën die we hebben uitgedragen en de gemeenschap die we hebben opgebouwd.’ Emeritus hoogleraar Meindert Fennema, die de brief als enige publiekelijk durfde te bekritiseren, kreeg het etiket ‘racist’ opgeplakt en geen enkele Amsterdamse collega nam het voor hem op.

Fennema is onlangs overleden en zal dus niet meer meemaken of hij later misschien alsnog het gelijk aan zijn zijde krijgt. Maar een blik op de geschiedenis leert dat die mogelijkheid heel wel aanwezig is. Eind jaren zestig liepen radicale actievoerders ook te hoop tegen de gevestigde orde aan de universiteit. Binnen de Amsterdamse faculteit sociale wetenschappen slaagden ze er in het bestuur grotendeels over te nemen met een zelfgefabriceerd radenstelsel, waarin studentvertegenwoordigers evenveel te vertellen hadden als stafleden. Net als nu eisten zij zeggenschap over de te bestuderen literatuur en ook over de benoeming van hoogleraren en exameneisen. Voor sommige taken werd zelfs een one man one vote systeem ingevoerd, waarbij de stem van een student evenveel waard was als die van een hoogleraar.

Zelf was ik destijds wetenschappelijk medewerker sociologie. Ik gaf een werkcollege over Latijns-Amerika en wilde de werkstukken beoordelen met een individueel cijfer. Maar dat ging zo maar niet: dat moest groepsbeoordeling zijn, en nog liever zelfbeoordeling! Uiteindelijk slaagde ik er in die individuele cijfers voor de poorten van de hel weg te slepen.

Bij de politicologen werd de literatuurlijst voor de helft gevuld met marxistische werken. Eén hoogleraar bleef stoïcijns weigeren hierin mee te gaan, prof. Hans Daudt. Het officieel goedgekeurde studieprogramma karakteriseerde hij als ‘vijftig procent marxisme, veertig procent feminisme en tien procent boeken die we nooit gelezen hebben’. De studenten boycotten hem (met als belangrijk activist student Meindert Fennema, het kan verkeren) en In 1970 staakte hij zijn hoorcolleges en trok zich terug op zijn kamer.

Volgens politicoloog Hans Daalder, die de ‘zaak-Daudt’ heeft beschreven, was het voor Daudt vooral slopend dat de grote meerderheid van de studenten passief afwachtte hoe de strijd zou aflopen. Ook van zijn collega’s en het universiteitsbestuur kreeg hij geen steun. Links wilde, schrijft Daalder, geen ruzie met ‘studenten die het aura van de democratisering als dekmantel droegen voor strevingen die met de waarden van democratie of wetenschap weinig van doen hadden’. Het College van Bestuur sommeerde Daudt met een dienstbevel weer aan de slag te gaan, maar ook nu gaf hij geen krimp. Het leidde tot jarenlange procedures, waarbij Daudt uiteindelijk op vrijwel alle fronten gelijk kreeg.

Bij de sociologen overkwam professor A.N.J. den Hollander ongeveer hetzelfde. Ook hij verzette zich en trok zich, na op college te zijn uitgejouwd, op zijn kamer terug. En ook hier géén openlijke collegiale steun van zijn naaste collega’s. ‘Ik ken weinig dat zo lelijk, zo afstotelijk is als door angst overheerste mensen,’ schreef hij later. ‘In de steek gelaten te worden, daar kan ik heel moeilijk tegen.’

Den Hollander zag de toekomst somber in. Midden jaren zeventig schreef hij in een brief dat de ontwikkeling van wetenschap naar kletsmeierij onmogelijk nog wezenlijk te corrigeren was. Dat was ook wel begrijpelijk, want in 1971 was de WUB (Wet Universitaire Bestuurshervorming) in werking getreden, een snel in elkaar geflanste noodwet waarin halfhartig aan de democratiseringseisen tegemoet werd gekomen, met faculteitsraden waarin de verschillende universitaire ‘geledingen’ evenveel te zeggen kregen.

Maar de radenstructuur bleek al gauw onwerkbaar: na tal van wijzigingen, waarbij de macht steeds verder terugschoof naar faculteits- en universiteitsbesturen, werden de raden aan het eind van de eeuw afgeschaft. Zelfbeoordeling en one man one vote waren toen al lang naar de mestvaalt van de geschiedenis verhuisd.

* * *

Was de studentenrevolte van eind jaren zestig dan één grote aanfluiting? Natuurlijk niet. De WUB maakte een einde aan de almacht van de hoogleraar en schiep ruimte voor een minder autoritaire stijl van onderwijs en meer overleg. Noodzakelijke vernieuwingen, die toekomstbestendig bleken.

Voor de huidige bewegingen van Me Too en Black Lives Matter geldt hetzelfde. Niemand zal ontkennen dat wat betreft seksuele en etnische machtsuitoefening nog een wereld te winnen valt. Een persoonlijk voorbeeld: ik ben redelijk goed thuis in Suriname, maar was toch verrast door de ongelooflijke wreedheid van de Nederlandse slavenhouders die in het kielzog van Black Lives Matter aan het licht kwam. Natuurlijk was die kennis altijd al voorhanden, maar ik had me er onvoldoende in verdiept en had er in het Nederlandse onderwijs ook weinig van meegekregen.

Sociaal-culturele veranderingen verlopen, zoals ook Matthijs van Nieuwkerk al zei in dat interview, met horten en stoten. Ze gaan gepaard met schokken, vertragingen en schijnbare stappen terug. Schijnbaar, want de grote ontwikkelingen in het Westen – zoals individualisering, democratisering en emancipatie – vertonen per saldo een gestaag opgaande lijn.

Rond deze ‘lange golf’ slingeren zich ook ‘korte golven’ die soms een bruuske en tijdelijke beweging omhoog en omlaag te zien geven. In de economie vinden we dat doodgewoon: periodes van hoogconjunctuur, recessie en depressie wisselen elkaar af, zonder dat we daaruit concluderen dat het geld altijd tegen de plinten zal blijven klotsen of dat het definitief bergafwaarts zal gaan. Wel gaat die korte-golfslag soms gepaard met tijdgebonden extremen, zoals de greed is good ideologie die in de jaren tachtig opgang maakte in Amerika.

Ook korte-golfprocessen op sociaal-cultureel gebied geven zulke extremen te zien. Op het gebied van etniciteit bijvoorbeeld de uitspraak van Akwasi dat hij, als hij een Zwarte Piet ziet, hem ‘hoogstpersoonlijk op zijn gezicht trapt.’ Ook bij instanties zijn zulke overreacties zichtbaar. Uit angst voor etnisch profileren door de politie bij preventief fouilleren op wapens bepaalde de Amsterdamse gemeenteraad in 2021 dat er ‘burgerwaarnemers’ mee zouden lopen. De politiebonden, gepikeerd, stuurden daarop weer eigen waarnemers mee om op die burgerwaarnemers toe te zien. Het verzandde al gauw in een poppenkast, ‘net een sketch van Monty Python’ volgens politiechef Frank Paauw. Al binnen een jaar werd het circus afgeschaft.

Waar het gaat om de huidige feministische golf wijst Maxim Februari in de NRC op ‘extreme tendenzen’: ‘Aan de krankzinnige rafelranden van iedere beweging worden mensen gewelddadig en dictatoriaal.’ Daarin moeten universiteiten en overheden niet meegaan.’

Bij de opschudding over genderdysforie – onbehagen met het geboortegeslacht – en transseksualiteit komt het onderscheid tussen lange en korte golf eveneens tot uiting. Dat mensen die zich ‘geboren voelen in een verkeerd lichaam’ eindelijk uit de kast kunnen komen en meer behandelingsmogelijkheden krijgen, is vooruitgang. Het zal niet meer teruggedraaid worden; je kunt het gerust ‘emancipatie’ noemen.

Maar geldt dat ook voor de explosieve toename van het aantal jongeren, vooral meisjes, die in transitie willen gaan, compleet met hormonen en puberteitsremmers? Er staan er nu zevenduizend op de wachtlijsten van transgenderklinieken. Als de nieuwe Transgenderwet wordt aangenomen, kunnen zij er zelf voor kiezen in hun geboorteakte hun geslacht te veranderen. De tot nu toe voorgeschreven minimumleeftijd van zestien jaar vervalt dan, evenals de verplichte verklaring van een arts of psycholoog. Er is dan dus sprake van zelfidentificatie en zelfdiagnose, helemaal volgens het woke-boekje. Maar ook van emancipatie? Ja, zei minister Dekker, een van de indieners van het wetsvoorstel.

Wie daar vraagtekens bij zet, oppert dat de ongekende toename misschien wijst op ‘sociale besmetting’ en voorstelt de leeftijdsgrens juist te verhogen, wordt door transactivisten afgebrand als ‘transfoob’. Een van hen is journalist Jan Kuitenbrouwer, die zich via het manifest ‘Gendertwijfel’ tegen de nieuwe wet verzet. Hij wijst op onderzoek waaruit blijkt dat verreweg de meeste kinderen met genderdysforie er na afloop van de puberteit overheen zijn gegroeid en verder als ‘happy homo’s’ door het leven gaan. Ook in hun privélevens lijkt dus sprake van een ‘korte golf’.

* * *

In de economie heb je allerlei variabelen die kunnen verklaren waarom een korte-golfbeweging zich op een bepaald moment voordoet. Kunnen we zulke achtergronden ook op sociaal-cultureel gebied onderscheiden en daarmee inzichtelijk maken waarom woke-gevoeligheden de laatste tijd zo hevig zijn opgelaaid? In de eerste plaats zijn er natuurlijk plotselinge gebeurtenissen die als aanjager kunnen functioneren, zoals de dood van George Floyd tengevolge van politiegeweld in 2020, die Black Lives Matter wereldwijd op de kaart zette.

Een meer structurele turbofactor is te vinden in demografische ontwikkelingen. Eind jaren zestig was dat duidelijk aan de orde bij de studentenopstand. In korte tijd veranderde de studentenpopulatie van een kleine elitegroep in een massale stroom, afkomstig uit bredere lagen van de bevolking. Vooral aan de sociale faculteiten: eind jaren zeventig studeerden meer dan zevenduizend studenten sociaal-culturele wetenschappen, bijna tienmaal zo veel als twintig jaar tevoren.

Bij de huidige woke-opleving op etnisch gebied speelt natuurlijk de toename van de van oorsprong niet-westerse bevolking een rol. Niet alleen getalsmatig maar ook wat betreft sociale status hebben zij vooruitgang geboekt. De nakomelingen van de schuchtere, laaggeschoolde gastarbeiders en rijksgenoten die in Nederland aankwamen, zijn grootgebracht in een Hollands-assertieve omgeving, stromen door naar hogere maatschappelijke echelons en kunnen daarbij tegen vooroordelen en discriminatie aanlopen. Ze beschikken bovendien over het ‘sociale kapitaal’ om zich daartegen te verzetten: ze spreken goed Nederlands, zijn hoger opgeleid en weten hoe de (sociale) media werken.

Dit verschijnsel wordt wel aangeduid als de ‘integratieparadox’: juist als jonge allochtonen beginnen te stijgen op de maatschappelijke ladder, komen sommigen van hen met fellere kritiek op de Nederlandse omgang met etnisch verschil. Daarbij is Zwarte Piet een ideaal doelwit, schreef Groene-redacteur Hassan Bahara in 2013. ‘Het is payback time’: jonge allochtone intellectuelen hebben in Piet ‘een stevige stok gevonden waarmee ze het Nederlandse zelfbeeld (tolerant, vooruitstrevend) er flink van langs kunnen geven.’

Daarmee is al aangegeven dat naast de omvang van de groep ook een generatie-effect speelt. Vérgaande aanspraken op gevoelens van eer, trots en respect zijn kenmerkend voor bepaalde fasen in het emancipatieproces. Zij vormen het kapitaal van degenen die machteloos waren en nu onderweg zijn van een wankel naar een meer evenwichtig zelfbeeld.

Zulke uitingen van lichtgeraaktheid en frustratie-agressie zijn te omschrijven als ‘emancipatiekramp’: een hoog oplopende gevoeligheid die kenmerkend is voor de overgangsperiode naar maatschappelijke gelijkstelling. Je zou kunnen spreken van gevoelsracisme, sociaal-culturele groeistuipen of frictie-gevoeligheid: een gevoeligheid die vanzelf weer verdwijnt als een nieuw evenwicht wordt bereikt in het zelfbeeld van de betrokken groep. Wie weet ontstaat er dan ook weer ruimte voor een meer ontspannen omgang met Nederlandse cultuuruitingen zoals Zwarte Piet.

De Canadese politicoloog Eric Kaufmann verbindt deze golfbeweging met een projectie van toekomstige veranderingen in etnische identificatie. In zijn boek Whiteshift stelt hij dat de huidige multiculturele instabiliteit in de westerse wereld een tussenfase is. Halverwege de volgende eeuw zal volgens hem door immigratie en gemengde huwelijken een stabiele ‘beige’ meerderheid’ ontstaan, die zich identificeert met de witte meerderheidscultuur. Het zou een interessante variant van zelf-identificatie zijn, in dit geval niet tégen maar mét de cultureel dominante groep, door de culturele eigenschappen daarvan over te nemen.

* * *

Eén mogelijke aanjager van het woke-gedachtegoed heb ik nog niet genoemd: de rol van ideologie, simpelweg van de waarden waarop de radicale voorvechters zich beroepen. Het is zeker zinvol ook daaraan aandacht te besteden, maar de uitkomst is anders dan zij pretenderen. Tenminste als we niet naar hún opvattingen kijken, maar naar de drijfveren van de meerderheid van de bevolking.

In 2021 maakte Volkskrant-columnist Erdal Balci bekend dat een door hem geschreven filmscenario over de onderdrukking van een jonge vrouw in islamitisch Turkije strandde bij de producent, die het project niet durfde in te dienen bij het Filmfonds. ‘In het huidige klimaat,’ schreef de producent, doelend op de heerschappij van ‘woke-religie en cancelculture’, ‘kunnen de gevolgen mogelijk ook negatief impact hebben op ons bedrijf. Hoe stom dat ook is, moeten we daar rekening mee houden.’ Balci concludeerde dat hij niet door woke zelf was gecanceld, maar door ‘de angst voor woke-toestanden’.

Een jaar eerder zag Skatepark Pier15 in Breda zich gedwongen het kunstwerk Destroy My Face, een compilatie van vrouwenportretten die aan het denken wilde zetten over cosmetische chirurgie, te verwijderen. ‘Het was vooral de vrouwelijke skategemeenschap in de VS die zich gekwetst voelde,’ schreef het Skatepark ter verklaring. ‘Skatemagazines en sponsoren volgden. Ons voortbestaan stond op het spel.’ Het zijn zomaar twee voorbeelden van instanties die deemoedig meedraaien in de woke-carrousel, maar eerlijk genoeg waren om toe te geven welke waarden daarbij de doorslag gaven: geen ideologische bevlogenheid maar overlevingsdrift.

Niet iedereen is zo openhartig. Veel vaker wordt volstaan met het gehoorzaam naprevelen van de woke-kanselspreuken. Een moeilijk te overtreffen voorbeeld is dat van historicus James Kennedy, decaan van University College Utrecht. Kennedy is bekend van zijn leerstuk dat Nederlandse elites, geconfronteerd met dreigende opstand, het liever op een akkoordje gooien met de rebellen dan weerwerk te leveren. Hij leverde zelf een overtuigende illustratie van deze gezindheid door vliegensvlug van kritisch tot woke te worden. In 2017 oefende hij felle kritiek op het nieuwe identiteitsdenken van Black Lives Matter. Martin Luther King zou daarmee volgens hem grote moeite hebben gehad, omdat hierdoor de zwart-wittegenstelling werd aangewakkerd.

Drie jaar later was Kennedy om: ‘Systemisch racisme’ is in het Nederlandse onderwijs ‘diepgeworteld en breed geïnstitutionaliseerd’, schreef hij. Het lesrooster van het College moest worden ‘gedekoloniseerd’ onder toezicht van het nieuwe Diversity Committee en dit ongemak moest worden ‘verwelkomd’.

Het is de moeite waard even door te denken over Kennedy’s verwijzing naar Martin Luther King. Voor King was de strijd tegen racisme direct verbonden met die tegen de onderdrukking door de macht van het geld. Bij de mechanismen waarvan de activisten van de cancelcultuur zich bedienen, is het precies andersom. Zij speculeren juist op de vrije markt in zijn meest agressieve vorm, waaraan ook instanties als universiteiten zich tegenwoordig moeten onderwerpen. Dat zij hun denkbeelden met zoveel gemak aan anderen kunnen opleggen, heeft inderdaad ook te maken met waarden, maar het zijn niet de ideologische waarden waar zij voor staan. De gedweeheid die zij afdwingen, heeft vooral te maken met reputatiemanagement en angst voor imagoschade. It’s the economy!

Daardoor is dit keer geen ‘lange mars door de instituties’ nodig, die volgens de Duitse studentenleider Rudi Dutschke in 1967 een voorwaarde was om instellingen en bedrijven rijp te maken voor de revolutie. De economische factor fungeert als aanjager, werkt als multiplyer en zet de turbo erop.

John Gray vergelijkt het optreden van de woke activisten met de showprocessen van Stalin en Mao. Ook daar moesten de verdachten in een openbare bekentenis berouw tonen en zelfkritiek uitoefenen. Hetzelfde geldt voor de auto-da-fé: het ritueel van penitentie en geloofsbelijdenis dat de inquisitie in de Middeleeuwen oplegde aan veroordeelde ketters, in sommige gevallen gevolgd door executie.

De slachtoffers van de nieuwe censoren die ook deemoedig hun schuldbekentenissen prevelen, werden niet gemarteld en het is niet hun leven dat op het spel staat. Maar ze krijgen wel figuurlijk de duimschroeven aangedraaid en moeten aan hun baantje, subsidie of promotieplaats denken. Was het bij de inquisitie de religieuze macht die werd ingezet, en bij de dictaturen uit de vorige eeuw de staatsmacht, in onze tijd is het het heersende primaat van de vrije markt dat tot onderwerping dwingt.

* * *

Toch is de om zich heen grijpende woke-gehoorzaamheid hiermee niet helemaal verklaard. Uit onderzoek blijkt dat nog maar een derde van de Nederlanders voorstander is van het behoud van Zwarte Piet. Economische motieven spelen daarbij een ondergeschikte rol. Bijvoorbeeld voor banketbakkers die geen zwartepietgebakjes meer in de vitrine durven te leggen omdat ze niet meer weten hoe zwart of bruin die nog mogen zijn en discussies in de winkel willen vermijden. Dan maar helemaal geen chocolade pietjes meer!

Maar voor de overige Nederlanders moeten andere overwegingen in het geding zijn. Willen we die begrijpen, dan kan het leerstuk van de ‘gepassioneerde minderheid’ uitkomst bieden. In zijn boek Demokratie en Welvaartstheorie (1975) stelde welvaartstheoreticus Hans van den Doel dat er geen bezwaar bestaat tegen het gerieven van een gepassioneerde minderheid, ‘mits de meerderheid waar de minderheidsaktie tegenin gaat weinig geïnteresseerd is.’

Dat laatste lijkt in het geval van Zwarte Piet voor steeds meer Nederlanders het geval te zijn. Volgens een peiling onder het Opiniepanel van EenVandaag was in 2020 nog 55 procent voor het behoud van Zwarte Piet. Maar tegelijk bleek dat meer dan driekwart nog steeds vond dat Piet niet racistisch is. Veel van degenen die van mening waren veranderd, voerden daarvoor een andere reden aan. Ze wilden af van de onrust rond het pietendebat en wilden ‘de lieve vrede bewaren.’ Zij zeiden dus eigenlijk: wij delen de bezwaren van de Pietbestrijders niet, maar dat hoeft ook niet. Als zij ernstige bezwaren hebben tegen de zwarte knecht, is dat voldoende reden om die bezwaren te honoreren. Dan krijgen we tenminste weer rust in de tent.

Dezelfde conclusie valt te trekken uit de inventarisatie onder gemeenten door het Algemeen Dagblad in 2021. De meeste gemeenten zijn inmiddels overgeschakeld op roetveegpieten of een combinatie van bruine en roetveegpieten, maar veel gemeenten nemen vooral afscheid van Zwarte Piet om gedoe te voorkomen. ‘De ommezwaai naar roetveegpieten lijkt door flink wat comités met tegenzin genomen,’ schreef de krant. ‘Je moet wel mee.’

Jerry Afriyie, voorman van Kick Out Zwarte Piet, komt dezelfde gezindheid tegen op de scholen die hij bezoekt. Veel daarvan, zei hij in de Volkskrant, geven aan Piet niet racistisch te vinden en hem alleen te ontzwarten om mee te gaan met de tijdgeest. Ook vanuit deze onverdachte bron wordt dus bevestigd dat bijvoorbeeld Bas Heijne het bij het verkeerde eind heeft als hij in de NRC schrijft: ‘Dat Zwarte Piet alleen nog bestaat als een verbeten provocatie, is niet het gevolg van een elite die gezwicht is voor de eisen van activisten. Het zijn die activisten die een algemene bewustzijnsverandering in gang hebben gezet.’

Bewustzijnsverandering? Ja, maar niet in de richting van de overtuiging dat Piet een verwerpelijk racistisch symbool is. Het is een verandering richting onverschilligheid en desinteresse. Schouders ophalen, zoals ouders een jengelend kind dan maar zijn zin geven om van het geblèr af te zijn. Van respect getuigt zij niet, deze bereidheid tot achteloze inwilliging van de KOZP-eisen. Respect is het omgekeerde: je tegenstander serieus nemen en het debat aangaan.

Naast angst voor economische schade is dus onverschilligheid een verklarende factor voor het voldoen aan woke-eisen. Onverschilligheid bij de meerderheid is de contramal van het activisme van de gepassioneerde minderheid.

* * *

Niet iedereen buigt het hoofd en onderwerpt zich. De schaarse gevallen van mensen die gecanceld dreigden te worden en de kont tegen de krib gooiden, zijn bekend. Harry Potter-schrijfster J.K. Rowling hield vol dat er een handige naam is voor ‘mensen die menstrueren’, namelijk ‘vrouwen’, en werd promt gecanceld wegens ‘transfobe’ uitlatingen. Ze bood weerwoord in een essay en een podcast, The Witch Trials of J.K. Rowling.

In Nederland nam ex-Kamervoorzitter Khadija Arib juridische stappen tegen een integriteitsonderzoek naar aanleiding van anonieme en ongespecificeerde klachten over ‘grensoverschrijdend gedrag’. Arjan Peters, literair recensent van de Volkskrant, op non-actief gesteld na klachten over ongepast gedrag tegenover vrouwelijke auteurs, vocht dit met succes bij de rechter aan. Hij kreeg een schadevergoeding omdat hij weliswaar laakbaar had gehandeld maar geen misbruik had gemaakt van zijn machtspositie. Het interne onderzoek door de krant was volgens de rechter buitengewoon onzorgvuldig geweest. Ook PvdA-Kamerlid Gijs van Dijk liet het er niet bij zitten nadat hij door het partijbestuur was gecanceld wegens meldingen van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Hij liep naar de interne beroepscommissie, die constateerde dat de klachten helemaal niet bestonden en het partijbestuur moest diep door het stof.

Ook de soap rond de Leidse ‘rokende oude witte mannen’ eindigde met een nederlaag voor de wokeriken. Eind vorig jaar werd het schilderij van het vroegere universiteitsbestuur na twee twitteraanmerkingen subiet weggehaald uit de vergaderzaal van de rechtenfaculteit. De afbeelding was duidelijk ironisch bedoeld, maar dat maakte voor het universiteitsbestuur niks uit; het verklaarde achter de ‘spontane actie’ te staan. Na een golf van protesten retireerde het bestuur en kreeg het schilderij een ereplaats in de ontvangstruimte van het Academiegebouw.

Zijn dit aanwijzingen dat de ‘korte golf’ van woke-gezindheid het omslagpunt nadert? In de NRC van 30 september ziet Arjen van Veelen aanwijzingen in die richting. Hij vermoedt dat ‘het einde nadert voor die dwaalgedachte dat de tint van je huid er meer toe doet dan je track record.’ Van Veelen citeert de Amerikaanse socioloog Musa al-Gharbi, die aan de hand van onderzoek tot dezelfde voorzichtige, conclusie komt: na tien jaar van aanzwellend radicalisme en intolerantie over seksualiteit, etniciteit en gender in de wereld van media, universiteiten en kunsten, wordt een matiging zichtbaar in het denken over dit soort identiteitsissues. Vooral de jongste generaties lijken volgens hem genoeg te hebben van het identitaire polarisatie-gekissebis.

Al-Gharbi noemt een reeks Amerikaanse kranten en instellingen die de laatste jaren werden aangevallen door woke-zeloten, maar kozen voor de aanval als verdediging van hun traditionele waarden. In zijn essay The ‘Great Awokening’ Is Winding Down’ (Compact Magazine, 2-8-2023) beschrijft hij onderzoek waaruit blijkt dat studenten minder geneigd zich op de vlakte te houden waar het om omstreden onderwerpen gaat. Op universiteiten worden degenen die zich niet woke-conform uitspreken, minder vaak gestraft. Managers zijn minder snel geneigd medewerkers meteen te schorsen of te ontslaan zodra ze van seksueel overschrijdend gedrag worden beticht en tonen een afnemende bereidheid om diversity officers te financieren. Al-Gharbi’s bottomline: Amerikaanse werkgevers lijken minder sociale druk te ervaren om zich ostentatief te conformeren aan de woke eisen.

Ook in Nederland zijn er tekenen die in deze richting wijzen. Zo staat, na een aanloop van ruim drie jaar en uitstel na uitstel, het genoemde voorstel voor een nieuwe Transgenderwet op losse schroeven. Bij de indiening in 2019 leek het een hamerstuk, dat de ‘emancipatie’ van transgenders zou bevorderen. Nu krabben coalitiepartijen CDA en VVD zich achter de oren: dreigen we met deze codificatie niet het kind met het badwater weg te gooien?

In een weinig opgemerkte maar wel opmerkelijke video sprak koning Willem-Alexander zich vorig jaar ook uit over de toekomst van de radicalisme- en polarisatiegolf. Hij deed dat, zonder het woord woke te noemen, sprekend over de Gouden Koets, die zoals bekend is versierd met schilderingen waarop het koloniaal verleden wordt verheerlijkt. ‘We kunnen het verleden niet herschrijven,’ zei hij. ‘We kunnen wel samen proberen ermee in het reine te komen. Dat geldt ook voor het koloniale verleden. (..) De Gouden Koets zal pas weer kunnen rijden als Nederland daar klaar voor is. En dat is nu niet het geval. (..) Naar elkaar luisteren en tot verzoening komen is een lange en moeilijke weg, maar we zijn daartoe in staat. (..) Alleen als we deze weg samen afleggen, kan de Gouden Koets weer rijden op Prinsjesdag.’

 

Terug naar overzicht met artikelen